Het openluchtvembad gaat op zaterdag om acht uur open.
We hebben het er nooit over gehad.
We gaan gewoon.
Al drie jaar hetzelfde ritueel.
Roel klopt om zeven voor acht op mijn deur.
Ik ben al wakker.
We lopen de twaalf minuten zonder veel te praten.
De canvas tas met de handdoek.
De geur van chloor nog voordat we bij de poort zijn.
Vanmorgen heeft de lucht de kleur van nat beton.
Augustus doet alsof het oktober is.
Er zijn misschien vier andere mensen in het water als we aankomen.
Een oudere man die langzaam rugslag zwemt in baan drie.
Twee vrouwen die een baan delen, hoofden boven water, pratend.
De badmeester zit onder een plastic afdak en leest iets op zijn telefoon.
Roel trekt zijn shirt uit aan de rand van het zwembad.
Ik kijk de andere kant op.
Ik kijk altijd de andere kant op.
En ik heb mezelf nooit afgevraagd waarom.
We zwemmen onze gebruikelijke veertig baantjes.
Ik tel in mijn hoofd.
Niet de baantjes, alleen het ritme.
Slag, slag, ademhalen.
Het water is kouder dan vorige week.
De lucht verandert niet.
Roel is altijd iets sneller dan ik en daar heb ik vrede mee.
Op een gegeven moment vertrekken de andere zwemmers.
We zijn alleen nog met zijn tweeën.
Met het geluid van het water en het verre geluid van een tram op natte rails.
In de kleedkamer haalt Roel zijn handdoek van de haak.
Hij droogt zijn haar zonder naar me te kijken.
Ik sta met mijn rug naar de kluisjes en realiseer me dat ik aan het tellen ben.
De seconden tussen de ene beweging en de volgende.
De druppels die van zijn elleboog op de tegelvloer vallen.
Mijn eigen hartslag.
Die iets doet wat hij niet zou moeten doen.
De kleedkamer ruikt naar chloor en iets ouder.
Vochtig hout.
De mineralenresten van honderd zaterdagochtenden.
Het TL-licht boven de douches flikkert even en blijft branden.
We hebben allebei niets gezegd sinds we uit het water zijn gekomen.
Roel laat de handdoek zakken.
Zijn haar staat aan één kant rechtop.
Hij kijkt naar de spiegel boven de wastafel en doet er niets aan.
“Goed gezwommen.”
Zijn stem klinkt voorzichtig.
Op een manier die ik nog niet eerder heb gehoord.
Of misschien heb ik het wel eerder gehoord en was ik toen met iets anders bezig.
“Ja.”
Ik zou mijn shirt moeten pakken.
Het ligt direct links van me, opgevouwen op de bank.
Ik beweeg niet.
Roel draait zich om van de spiegel.
Hij kijkt me aan.
Niet zoals hij naar me kijkt als we beslissen wat we gaan eten.
Niet zoals hij naar me keek toen ik hem twee jaar geleden over mijn vader vertelde.
Een andere invalshoek.
Iets dat stilletjes zijn eigen druk heeft opgebouwd.
Zoals water dat doet achter een dam.
Hij zet een stap naar me toe.
De tegels zijn koud onder mijn voeten.
Ik hoor het druppelen van een douche die niet helemaal is dichtgedraaid.
Mijn hart doet iets wat ik niet kan tellen.
“Thomas.”
Alleen mijn naam.
Zonder iets erbij.
Maar de manier waarop hij het zegt.
Voorzichtig.
Alsof hij het al een tijdje in zijn mond heeft gehouden.
En het nu pas laat vallen.
Ik zeg niets.
Dat hoeft ook niet.
Zijn lippen waren warm en zacht tegen de mijne.
Ik voelde het koele metaal van de kluisjes tegen mij rug drukken.
Mijn aarzeling smolt weg toen zijn tong de mijne raakte.
Mijn hand klemde zich vast aan de rand van de bank.
Mijn knokkels wit geknepen.
Hij kwam dichterbij.
Zijn dij streek langs de mijne.
De geur van chloor hing aan zijn huid.
Scherp en fris.
Zijn handen gleden over mijn borst omhoog.
Zijn duimen strilden mijn tepels.
Ik huiverde.
Terwijl de warmte zich laag in mijn buik verzamelde.
Hij kuste me dieper.
Harder.
Alsof hij aan haar hunkerde.
Ik trok hem dichterbij bij zijn middel.
Mijn vingers groeven zich in zijn vochtige huid.
Ik voelde zijn harde pik tegen mijn bovenbeen.
Ik keek hem aan en we knikten naar elkaar.
We strompelden naar de bank.
Onze knieën trilden.
Zijn adem was onregelmatig tegen mijn nek.
Mijn handen vonden de tailleband van zijn zwembroek en trokken die over zijn heupen naar beneden.
Hij kreunde, zacht en rauw, toen ik mijn vingers om zijn pik sloeg.
Hij was heet, dik en op zijn eikel zat dan een geile druppel voorvocht.
Ik aarzelde niet en nam hem in mijn mond.
Likte zijn eikel en nam zijn pik daarna zo diep mogelijk in mijn mond.
Hij kreunde van genot.
“Oh, oh God.”
“Oh, Godverdomme.”
Op dat moment trok hij mijn eigen zwembroek naar beneden.
Zijn hand greep meteen naar mijn lul.
Zijn eeltige handpalm ruw tegen de gevoelige huid van mijn pik.
Hij leunde naar voren, kuste me opnieuw en slikte mijn gekreun in.
We bewogen samen, onze handen gretig, onze lichamen glibberig van het zweet en het zwembadwater.
Zijn pik wreef tegen de mijne, de druk nam snel toe.
Hij heigde in mijn mond, we likten elkaar volledig af en zijn heupen schokten tegen me aan.
“Thomas, Godverdomme Thomas, je maakt me helemaal gek.”
“Ja, jij mij ook. Je maakt me zo fucking geil.”
“Ik heb zo'n zin om te spuiten. Ik wil dat je over mijn lul heen spuit.”
“Godverdomme, ja.”
Hij kwam als eerste klaar, een kreet onderdrukkend terwijl hij over mijn lul spoot.
Ik volgde direct daarna, zijn pik nog pulserend in mijn greep, onze lichamen steeds warmer tegen elkaar aan.
We genoten allebei van de geur van elkaars zaad.
Ja, we bleven daar liggen, onze voorhoofden tegen elkaar, zwaar ademend.
Het TL-licht zoemde boven ons, vaag flikkerend.
Zijn hand lag nog steeds op me, plakkerig en warm.
Geen van ons beide bewoog, geen van ons beide wilde dat.
Daarna zitten we nog een tijdje op het bankje, zonder te praten, gewoon ademhalen.
Er druppelt nog steeds ergens een douche.
Buiten hoor ik weer de tram, of misschien een andere tram, een andere rit.
De lucht door het kleine hoge raam is nog steeds even vlak en grijs.
Uiteindelijk raapt Roel zijn shirt van de vloer op. Ik kijk toe hoe hij het aantrekt.
“Aanstaande zaterdag. Aanstaande zaterdag.” Hij glimlacht naar de vloer.
Die glimlach heb ik eerder gezien, na een goede maaltijd, na een film waarvan hij niet had verwacht dat hij hem leuk zou vinden.
Ik wist tot nu toe niet dat het ook dit kon betekenen.
We lopen dezelfde twaalf minuten naar huis. Zijn schouder is dichter bij de mijne dan normaal.
Of misschien let ik er nu pas op hoe dichtbij die altijd al was.
Net als we onze straat bereiken begint het te regenen. We rennen allebei niet.